intelligentieonderzoek

Er kunnen zich situaties voordoen waarin u als ouder de behoefte heeft om de intelligentie van uw kind te laten testen. Een paar voorbeelden:
Is er sprake van een ontwikkelingsvoorsprong of hoogbegaafdheid?
Mijn kind heeft moeite met het verwerken van de leerstof. Wat zijn zijn mogelijkheden en vooral wat zijn zijn/haar zwakke en sterke kanten? Hier kan dan in de begeleiding beter op worden aangesloten.
Wat is de juiste schoolkeuze of passend vervolgonderwijs voor mijn kind? (bijvoorbeeld als second opinion naast de CITO-toets)
Mijn kind zegt dat hij/zij zich op school verveelt. Hij/zij heeft bijna nooit zin om naar school te gaan. De leerkracht merkt hier weinig van. Hij/zij speelt leuk met de andere kinderen en zijn/haar resultaten zijn goed. Verveelt mijn kind zich echt? Moet hij/zij meer uitdaging hebben?

Bij een intelligentieonderzoek gaat het om het bepalen van de cognitieve mogelijkheden van uw kind. Een intelligentietest bestaat uit vragen en opdrachten. Deze meten zowel aangeleerde kennis als begrip, inzicht en probleemoplossende vaardigheden. Het onderzoek geeft een beeld van de sterke kanten van uw kind en laat ook zien met welke vaardigheden uw kind meer moeite heeft.
Bij het onderzoek wordt naar veel verschillende kanten van het functioneren gekeken. Naast de testresultaten geven observaties tijdens de test ook informatie over bijvoorbeeld de taakaanpak, de concentratie, zelfvertrouwen, faalangst, motivatie.

Afhankelijk van de leeftijd van het kind wordt de WISC III NL (vanaf 7 jaar t/m 16 jaar) of de WPPSI III NL (vanaf 2;6 jaar) .
De WISC III is de meest gebruikte intelligentietest in Nederland. De WISC III bestaat uit 13 subtests die verschillende vaardigheden meten. Globaal kan gezegd worden dat een deel van de subtests meer een beroep doet verbale taken, terwijl andere subtests meer handelingsgerichte opdrachten betreffen waarbij onder meer ruimtelijk inzicht en motoriek een rol spelen.

Vragen van over intelligentie gaan vaak samen met vragen over concentratie, motivatie, faalangst en zelfbeeld. Vaak wordt er op deze gebieden aanvullend onderzoek gedaan, of wordt het onderzoek gecombineerd met een pedagogisch-didactisch onderzoek.

In een persoonlijk adviesgesprek worden de resultaten met u besproken. Ook is er tijdens dit gesprek gelegenheid voor het stellen van vragen. Vervolgens ontvangt u een uitgebreide schriftelijke rapportage van het onderzoek.